BAS
Weersinvloeden

Weersomstandigheden spelen een belangrijke rol in het baangebruik. Hoe de wind waait en hoeveel een piloot of verkeersleider kan zien, bepalen welke banen worden ingezet en hoeveel vliegtuigen per uur kunnen landen of opstijgen. Ook slecht weer, zoals onweersbuien en mist, kunnen het vliegverkeer op Schiphol en de daarvoor gebruikte baancombinaties beïnvloeden. De keuze en inzet van baancombinaties wordt gebaseerd op verwachte en actuele weersomstandigheden.

Wind

De meest veilige manier voor een vliegtuig om te starten en landen, is tegen de wind in. Bij het starten zorgt dit ervoor dat een vliegtuig sneller kan opstijgen en daardoor minder startbaanlengte nodig heeft. Bij het landen zorgt het ervoor dat een vliegtuig met een voldoende lage en veilige snelheid kan landen en voldoende baanlengte heeft om te kunnen afremmen. Starten en landen met een beperkte mate van zijwind is mogelijk. Hoeveel zijwind een vliegtuig kan hebben, hangt voornamelijk af van het toesteltype. Vanwege de veiligheid is landen met een harde zijwind of wind mee, bijvoorbeeld door een windstoot of plotseling draaiende wind, niet gewenst. In dat geval zal de verkeersleiding een baan kiezen die gunstiger in de wind ligt.

Zicht

Ook de zichtomstandigheden spelen een belangrijke rol bij het bepalen van baancombinaties. Op Schiphol kunnen bepaalde baancombinaties niet worden gebruikt bij slecht zicht. Dit zijn banencombinaties waarbij verkeersleiders voldoende zicht moeten hebben op al het vliegverkeer. Dit om bij mogelijke onveilige situaties tijdig te kunnen ingrijpen. Dit geldt bijvoorbeeld ook bij parallel starten, waarbij een verkeersleider visueel moet kunnen vaststellen of een vliegtuig de juiste vertrekroute volgt en de goede kant op draait.

Voor het zicht zijn de hoogte van de onderkant van het wolkendek (verticaal zicht) en hoe ver verkeersleiders en piloten kunnen zien (horizontaal zicht), bepalend. Hoe minder het zicht, hoe groter de afstand tussen de vliegtuigen tijdens de nadering moet zijn. Vliegtuigen kunnen met behulp van het Instrument Landing System (ILS) in alle zichtomstandigheden, dus ook bij dichte mist, veilig landen.

Buien

Piloten vliegen, wanneer mogelijk, zoveel mogelijk om of over buien heen. Buien kunnen namelijk een veilige vluchtuitvoering beïnvloeden als gevolg van zware turbulentie. Voorbeelden zijn regen-, hagel-, onweers- of sneeuwbuien. Als er buien zijn in het vliegpad van of naar een bepaalde baan, wordt daarom meestal een andere start- of landingsbaan gekozen. Ook kan zware neerslag of sneeuw ervoor zorgen dat een bepaalde baan tijdelijk niet beschikbaar is.

Winters weer

Besneeuwde of bevroren banen maken starten en landen niet altijd mogelijk. Tijdens winters weer neemt Schiphol verschillende maatregelen om de banen sneeuw- en ijsvrij te houden. Dat heeft gevolgen voor het baangebruik en het aantal vliegtuigen dat kan opstijgen en landen. Bij winterse neerslag of temperaturen onder nul worden vliegtuigen voor vertrek ijsvrij gemaakt of preventief behandeld tegen bevriezing. Zware winterse neerslag vraagt een zwaardere methode om toestellen ijsvrij te maken. De gebruikte methode bepaalt de maximale hoeveelheid vertrekkende vliegtuigen.

Meer weten over weersinvloeden en vliegen? Bekijk het filmpje van de Luchtverkeersleiding Nederland.

Veelgestelde vragen

Met hoeveel zijwind mag een vliegtuig landen?

Er landen of starten vliegtuigen met de wind mee, hoe kan dit?

Kunnen vliegtuigen landen in dichte mist?

Staat uw vraag er niet tussen?

Ga naar alle veelgestelde vragen